Hendrick Jacobusz. Eijgenraam, geb 28-1-1678 Geneagram Hendrick Jacobusz. EijgenraamHendrick Jacobusz. Eijgenraam (ged. 28-1-1678, ovl. 17-7-1732)

In een boedelscheiding van het sterfhuis van Hendrik Eijgenraam, die op 17 juli 1732 was overleden, wordt vermeld dat deze tuinder al "glase ramen" gebruikte. Voor zover wij weten is dit de eerste vermelding van het gebruik van glas in de tuinbouw.

Een fragment van de tekst van deze boedelscheiding:
"... drie schuijten met haar zeijlen, masten en touwen, als meede alle de glase ramen, kruywagens, planken deelen, manden en boonstaaken, ... rijsen en al het verdere thuyn gereedschap tot de thuijnen oft boomgaard bij den overleedenen in huere bezeeten, en tot (voornoemd) warmoesland behoorende, mitsgaders nog alle de losse planken en drie losse plaaten tot het (voornoemde) huijs behorende...."

Het tuindersbedrijf van Hendrick Jacobusz. Eijgenraam bevond zich aan de Noordhoorn en omvatte een boomgaard en een stuk warmoesland, waarop hij onder meer bonen en erwten teelde. Zijn produkten werden in manden naar de omliggende steden vervoerd. Hij bezat hiervoor drie houten schuiten, waarmee gezeild en geboomd werd.


Kaartfragment links: De kern van het vroege tuinbouwgebied "de Noort Hoorn" met rechts nog enkele moestuinen van de buitenplaats Sion. Verder zijn te zien: de "Stake Brugge" en geheel onderaan de Zuidwoning, één van de boerderijen van de familie Van Hogendorp. Atlas van Kruikius 1712.
























Gravure van "Zion" in de zeventiende eeuw.

Op de kadasterkaart, rechts, uit 1802 is zichtbaar dat van de buitenplaats Sion al vele percelen als tuinbouwgrond in gebruik zijn.




De historicus Jacques.W. Moerman schreef het volgende over de geschiedenis van de tuinbouw in Sion:

(J.W. Moerman, Klooster, Buitenplaats en tuinbouwgebied - De rijke historie van het Rijswijkse Sion, ISBN 9072520122.)

De tuinbouw in Sion

De opkomst van de tuinbouw

De buurtschap Sion wordt nu beheerst door hoge kassen, loodsen en ketelhuizen. De tuinbouwbestemming volgde direct op de buitenplaatsperiode en betrof feitelijk de voortzetting van een in deze streek al bekende vorm van grondgebruik. In het midden van de zeventiende eeuw was er in het aangrenzende gebied de Noordhoorn al sprake van tuinbouw. De kaart van Krukius toont hier in 1712 een groot aantal kleine percelen met vruchtbomen en moestuinen. In een boedelscheiding van het sterfhuis van Hendrik Eijgenraam, die op 17 juli 1732 was overleden, wordt vermeld dat deze tuinder al "glase ramen" gebruikte. Dit waren broeiramen met het doel bepaalde gewassen te vervroegen of tegen de koude te beschermen. Ze waren samengesteld uit kleine ruitjes, die in houten roeden gepast, gezamenlijk een geheel raam vormden. Ze werden gebruikt voor de afdekking van broeibakken en als "schietramen", ramen die ergens voorgeschoten, voorgezet werden, bijvoorbeeld voor een muur met druiven.

Het tuindersbedrijf van Eijgenraam bevond zich aan de Noordhoorn en omvatte een boomgaard en een stuk warmoesland. waarop hij onder meer bonen en erwten teelde. Zijn produkten werden in manden naar de omliggende steden vervoerd. Eijgenraam bezat hiervoor drie houten schuiten, waarmee gezeild en geboomd werd.

Zoals we gelezen hebben, werd op het grondgebied van Sion zelf ook al vroeg tuinbouw uitgeoefend. Het begon allemaal met een kloostertuin, waar naast kruiden en groenten ook bloemen werden geteeld. In 1574 was er sprake van een "cooltuyn" (moestuin), zoals er buiten de stad Delft meer waren te vinden. In de zeventiende eeuw ontstond de buitenplaats met een uitgestrekte tuin met verschillende boomgaarden en moestuinen, waar fruit, groenten en bloemen werden geteeld. In de achttiende eeuw hield men er zelfs subtropische planten, waaronder een groot aantal oranjebomen, die 's winters in de verwarmde oranjeriehuisjes werden ondergebracht.

De rond het herenhuis liggende vijvers, bossen, boomgaarden, wildbanen en de moes- en siertuinen, werden mede onderhouden door een aantal warmoeziers uit de naaste omgeving, zoals de familie Eijgenraam. Zij bezaten tuinbouwbedrijven langs de Noordhoornseweg. Op de buitenplaats verzorgden ze het snoeiwerk en de teelt van allerlei producten. Op de eigen tuinen lagen boomgaarden met een grote variëteit aan appel- en perensoorten. De dochters van Willem van Hogendorp schreven in hun dagboek, dat zij zich met de kinderen van de warmoeziers vermaakten langs en op de Noordhoornsewatering (spelevaren en vissen).

Uit een "memorie van de jaerlijkse revenuen van ...Sion" van 23 oktober 1723 blijkt, dat de stukken warmoesland in dat jaar werden verpacht aan tuinders uit de directe omgeving, zoals Jacob Eijgenraam en Jan Cornelisz. Grisnigh, beiden woonachtig op de Noordhoorn. Deze buurt was in de achttiende eeuw duidelijk economisch verbonden met Sion.

De uitbreiding van de tuinbouw op het grondgebied van de voormalige buitenplaats na 1800 moet gezien worden als een logische ontwikkeling. De kleibodem was erg geschikt voor de uitoefening van de tuinbouw, bovendien grensde Sion aan goede waterwegen en lag het gebied dicht bij enkele belangrijke afzetmarkten. Tenslotte was de kennis van de tuinbouw ruimschoots in de regio aanwezig. De nieuwe bewoners van Sion kwamen dan ook bijna allemaal uit de omgeving. (Delft, Hof van Delft en Naaldwijk).

De oorspronkelijke tuinindeling bepaalde in belangrijke mate de grootte van de tuinderijen. De oppervlakte varieerde van ruim 6,5 ha tot minder dan 0,5 ha. Op de 31 ha van de buitenplaats Sion lagen volgens het kadaster in 1826 negen tuinderijen.

Net zoals aan de Noordhoorn bleef de fruitteelt op de tuinen van Sion een belangrijke plaats innemen. Windsingels, soms nog daterend uit de periode van de buitenplaats zorgden voor de benodigde beschutting. Ze bestonden veelal uit elzen en heggen van de witte en de rode meidoorn. Aan het eind van de vorige eeuw teelde men hier nog volop appels, peren en pruimen. Aan de Noordhoorn werden de pruimen, net zoals de druiven, als leibomen tegen stenen muren geteeld. In Sion kwam de kweek van druiven slechts in beperkte mate voor. Dit tuinbouwgebied kreeg vooral bekendheid vanwege de teelt van aardbeien, asperges en verschillende bessensoorten, waaronder kruisbessen en rode en witte aalbessen. De teelt van bessen was als onderbeplanting in de boomgaarden begonnen.

De boomgaarden en tuinen werden goed verzorgd door het inbrengen van stalmest en zand, waardoor de kwaliteit en de kwantiteit van de oogst werden vergroot. De grote partijen fruit en groenten verden verkocht op de markten van Amsterdam en Rotterdam. De tuinders van Sion gaven hiervoor hun produkten mee met de schippers uit het westland. De Zweth en de Kastanjewetering zagen regelmatig bruin van de zeilen van hun vaartuigen (scheepjes van 15 tot 25 ton). Op de Stakenbrug of Blauwe Brug bij Sion vond bij terugkomst, volgens mondelinge overlevering, de afrekening plaats. Soms moest er echter worden bijbetaald, wanneer door de grote aanvoer de inkomsten erg gering waren geweest.

De kleine partijen fruit en groenten werden vanouds door groenteboeren uit Delft en omgeving opgekocht. Ten behoeve van deze verkoop richtten enkele tuinders in 1892, in het Bonte Huis aan de Noordhoorn, de veiling van Den Hoorn op. De veiling zelf werd gehouden in het café van Ful van Rijt aan de Hoornsewal te Den Hoorn en heeft tot 1904 dienst gedaan. De groenten en het fruit en soms zelfs bloemen, waaronder tulpen, werden hier op het biljart uitgestald en wie "mijn" riep was de koper.

De ontwikkeling van de tuinbouw na 1900

Vanaf het eind van de negentiende eeuw groeide het tuinbouwareaal rond Delft en stapte men over op de teelt van verschillende groenten, zoals sla, andijvie, peen, bloemkool en komkommers. De vruchtbomen en de wandsingels verdwenen langzamerhand van de tuinderijen van Sion en de Noordhoorn. Naast vollegrondsteelten ging men ook steeds meer gebruik maken van teelten onder "plat glas", z.g. eenruiters die in de warme maanden werden weggenomen. Rietmatten die over het glas werden uitgerold beschermden de gewassen in het voorjaar tegen de ergste nachtelijke koude. Zwaar werk was vooral het gieten van de komkommerplanten onder het plat glas. Honderden malen liep men met twee volgeschepte gieters van elk twaalf liter van de slootkant naar de ramen, die stuk voor stuk voor de begieting gelicht moesten worden. Veelal werd per raam een halve gieter water gegeven. In de zomers waren de werkdagen erg lang. Gewoonlijk werkte men dan van zonsopgang tot zonsondergang. Op zaterdagen eindigde de werkdag meestal wat eerder. Een tuinarbeider verdiende rond 1900 zo'n 20 stuivers per dag, ofwel ƒ 6,- per week. Aan huishuur moest hij per week zo'n 80 cent betalen. Als er geen werk was of als slecht weer het werk verhinderde, vond er geen uitbetaling plaats. Op sommige tuinen werd het personeel in het late najaar zelfs ontslagen. Een verbetering was de komst van "staand glas", waardoor de werkzaamheden gedurende de wintermaanden toenamen. Kort na de eeuwwisseling verschenen in en om Sion de eerste serres en warenhuizen. Een warenhuis is eigenlijk platglas op poten, waarin allerlei groentegewassen verbouwd kunnen worden. De produktie werd hierdoor aanmerkelijk verhoogd. De meeste tuinders schaften nieuwe houten en later ijzeren schuiten aan, waarmee ze de afvoer van de eigen produkten zelf gingen regelen. Ook door deze verandering steeg de werkgelegenheid in de tuinbouw.

Na deze fragmenten over de oude geschiedenis van de glastuinbouw van J.W. Moerman, volgen nu nog enkele foto's van Eijgenramen werkzaam in de glastuinbouw:

Meer over Sion
Meer over de agrarische ontwikkeling van Den Hoorn


Geneagram Cornelis EijgenraamFoto van rond 1910, op de tuin. Een van de oudste foto's in ons bezit van "plat glas", de zogenaamde eenruiters (zie bovenstaande tekst). Van links naar rechts: 3e: Cornelis Eijgenraam, geb. 20-8-1850, 4e: Leendert Arie (Leen) Eijgenraam, geb. 21-9-1895, 5e: Abraham Alexander (Abram) Eijgenraam, geb. 11-2-1887, 6e: Johannes Abraham, geb. 1-3-1884, 4, 5 en 6 zijn zonen van Cornelis. En afstammelingen van Hendrick Jacobusz. Eijgenraam, vanaf hem ging het tuindersvak van vader op zoon.



Aquarel Lookwatering, Den Hoorn, 95 x 62 cm, 1905 door Antoon Derkzen van Angeren (1878-1961).
Bron: Midden Delfland. Links bevindt zich de tuinderij, met plat glas, van Cornelis Eijgenraam. (de bron vermeldt Leen maar gezien de datum moet het Cornelis zijn)



Geneagram Cornelis EijgenraamFoto rond 1950. Vervoer, van de tuin naar de veiling, van bloemkool en komkommers bij Stakenbrug. In het midden Pieter Johannes (Piet) Eijgenraam, geb.17-11-1918,geheel rechts Marinus Cornelus (Rinus) Eijgenraam, geb. 16-7-1913, zonen van Johannes Abraham. Aan de overkant percelen plat glas.


Pagina 1. tekst


Pagina 2. tekst


Pagina 3. tekst


Pagina 4. tekst



Pagina 1.
In 1732 … s-17-8
Aan de heer G van Hoogendorp vry heer van Hofweegen voor een jaar huer van het warmoes land op Zion in huere bezeeten bij den overledenen zijnde verscheenen den 1e feb 1732 betaald twee honderd gulden dus ƒ 200,-

Nog aan denselven voor een jaar pacht van de thuyn aldaar verscheenen als voren vyftig gulden dus ƒ 50,-
Den uytgeeff soo aan arbeyts lonen als in het huyshouden zederd den 13e auguste 1732 tot den 2e february 1733 gedaan bedragen volgens specificatie een honderd een en vyftig


Pagina 2.
... ven kan werden ende aan den comparant selfs in gevolgen van den voor.. testamente is competeerende, dat insgelijcks diend voor …. memorie
Onroerende goederen
Art:s
Een huys ende erve mitsgaders een koolthuijn groot omtrent eene

morge en honderd vijf en twintig roeden daar al het selve op staat staande ende geleegen op de Noordhoorn onder de jurisdictie van Hoog ende Wout Harnasch, mitsgaders: Groeneveld, belend van Ouds aan de Oostsijde Joffer Agnetha Hop... gresteyn wed. van de heer Gerard van Assendelft, aan de zuydzyde Cornelis


Pagina 3.
Willemsz. Creytsnach, aan de westzyde de heer Mr. Dirck van Groeneweegen vander Maade Raad en Oud Burgemeester der Stad Delft, en aan de Noordzijde, 't Moleselaantje, den overleedenen als in huwelijk gehad hebbende Helena Cornelisdr Hogendijck Dogter en voor een derde part mede erfgename van haar

overleede vader Cornelis Jorisz Hogendijck bij scheydinge van desselfs boedel op den 22e junij 1704 voor den notaris Cornelis vander Sleyden en zeekere getuygen tot Delft gepasseerd, welck huys erve ende Koolthuijn door den overleedenen tot sijn dood toe zelfs is bewoond ende gebruijckt
Item drie schuijten


Pagina 4.
met haar zeijlen, masten en touwen, als meede alle de glase ramen, kruywagens, planken deelen, manden en boonstaaken, ... (?) rijsen en al het verdere thuyn gereedschap tot de thuijnen oft boomgaard bij den overleedenen in huere bezeeten, en tot (voornoemd) warmoesland (behorende)

behoorende, mitsgaders nog alle de losse planken en drie losse plaaten tot het (voornoemde) huijs behorende
Al het welcke bij taxatie door Hendrik van Leeuwen ende Gerrit Halverhout beijde warmoesiers op den 27en auguste 1732 naar voorgaande oculaire inspectie, ge…



Terug naar startpagina / naar Eijgenramen uitgelicht